"Christen-Democratisch & Vrouw"
Dit is een boek vol
fierheid over de afgelegde weg. Doorspekt met portretten en
getuigenissen van vooraanstaande christen-democratische vrouwen van de
voorbije 60 jaar.
Het boek werd voorgesteld aan de pers op 30 september 2005 in het Hotel
Errera te Brussel met getuigenissen van Godelieve Devos, Juliette
Dechrijver-Sioen en Sabine de Bethune.
Klik hier voor de toespraak van Els Van Hoof

Vrouwen zijn reeds lang voor het verwerven van het
vrouwenstemrecht én voor de oprichting van Vrouw &
Maatschappij actief aanwezig in de toenmalige CVP. Van beperkte
minderheid en van een vrouwengroep zonder zeggenschap groeide Vrouw
& Maatschappij uit van een vrouwengroep tot een slagkrachtige
werkgroep binnen de CVP. Op dezelfde voet als alle andere
CVP-geledingen.
Sinds de jaren ‘40
organiseren de CVP-vrouwen zich om thema’s te behartigen waar
tot dan toe geen of weinig politieke interesse voor was. Bovendien
wordt sindsdien ook gestreefd naar een minimum vertegenwoordiging van
vrouwen zowel in de partijgeledingen, als op de verschillende
beleidsniveau’s.
Er werd toen een moeizame weg afgelegd. Niet in het minst omdat het
moeilijk was geïnteresseerde vrouwen te vinden. Daarenboven
zagen de mannelijke partijleden toen het nut niet in van een
gewaarborgde minimum vertegenwoordiging van vrouwen.
Slechts een kleine groep vrouwen maakte kort na de
Tweede Wereldoorlog deel uit van het politieke leven. Bij de CVP waren
er slechts 3 vrouwen met een nationaal mandaat. Maria Baers, boegbeeld
van de Kristelijke Arbeidersvrouwengilden (KAV), zetelde vanaf 1936
in de senaat. Barones Agnes Della Faille
d’Huyse, sinds 1927 burgemeester van
Huise, werd in 1946 voor het arrondissement
Oudenaarde-Aalst verkozen als senatrice. En tenslotte was er Marguerite
De Riemacker-Legot, die in 1946 als jonge
advocate voor het arrondissement Brussel een mandaat verwierf in de
Kamer van Volksvertegenwoordigers.
Op 10 mei 1946 richtte de CVP een
vrouwensecretariaat op. Jeanne Vertonghen werd adjunct-algemeen
secretaris en kreeg de opdracht een partijwerking voor vrouwen uit te
bouwen. Ze had bij haar aanwerving al haar sporen verdiend bij de
uitbouw van de Boerinnenjeugdbond (BJB).
Als één van de laatste
landen in Europa voerde België in 1948 het
vrouwenstemrecht in voor het parlement. Bij de verkiezingen van 26 juni
1949 mochten vrouwen voor de eerste maal
stemmen. Gejubel was echter niet te horen. De verkiezingscampagne
bevestigde de traditionele rol van vrouwen in het gezin. De kranten
gaven een beeld alsof vrouwen gedwee, aarzelend en in opdracht van de
mannen naar de stembus gingen. De CVP–vrouwen maakten
brandhout van dergelijke beeldvorming. De vrouwelijke kiezers hadden
zich volgens hen waardig van hun plicht gekweten. Ze waren gaan stemmen
alsof ze het altijd hadden gedaan.
Net zoals de socialisten en liberalen had ook de
CVP meer vrouwen op de kieslijsten geplaatst om de vrouwelijke kiezers
aan te trekken. Na de verkiezingen zetelden in het totaal 6 vrouwen in
de Kamer en 7 in de senaat. In 1950, toen de CVP de
volstrekte meerderheid behaalde, werd daar voor de CVP nog 1 vrouw aan
toegevoegd: Maria de Moor-Van Sina. Zij vervoegde voor het
arrondissement Antwerpen haar collega’s Magdalena Van
Daele-Huys, Marguerite Deriemaecker-Legot en de senatrices Maria Baers
en Jeanne Driessen.
Alice Hellemans, die op 4 juli 1953
als adjunct-algemeen secretaris verantwoordelijk werd voor de
vrouwenwerking, zette vrouwen aan om meer vrouwelijke leden te werven.
Bij verkiezingen ijverde ze voor vrouwen op de lijsten.
Doelstellingen, strategieën en
werkmiddelen om vrouwen bij het politieke leven te betrekken bleven in
de jaren ’50 en begin jaren ’60
vrijwel identiek aan de eerste periode. De samenwerking met de 3
katholieke vrouwenorganisaties was dé methode om de
geleidelijke integratie van vrouwen te realiseren. Er was regelmatig
overleg tussen enerzijds de CVP-vrouwenwerking en anderzijds KAV,
Boerinnenbond (nu KVLV) en CMBV (nu Markant).
De aanstelling van de eerste vrouwelijke minister
in 1965, Marguerite De Riemaecker-Legot, betekende
een keerpunt in de vrouwenvertegenwoordiging in de partij. Verjonging
en feminisering binnen de CVP-PSC werden aan elkaar gekoppeld en
vormden een belangrijk thema. De vrouwenwerking groeide van toen af aan.
Een aantal jonge vrouwen bundelde de krachten. Op
initiatief van de toenmalige IPOVO-directeur, Miet Smet, werd in 1974
een open partijdag gehouden onder de titel ‘Vrouw &
Maatschappij’. Deze open partijdag was meteen het startschot
van de oprichting van een gelijknamige werkgroep in de schoot van de
partij.
De werkgroep koos op 16 maart 1974
Miet Smet als haar eerste voorzitster. Geleidelijk aan trachtte de
werkgroep haar basis uit te breiden naar de vrouwen in de
arrondissementen en richtten zij hun aandacht niet enkel op
maatschappelijke interessante thema’s zoals gezin en
opvoeding, arbeidspositie van de vrouw, juridische positie van de
vrouw, maar ook naar een grotere deelname van vrouwen aan het politieke
leven in het algemeen en binnen de CVP in het bijzonder.
Tegelijkertijd boekte Vrouw & Maatschappij
haar eerste successen rond de vrouwelijke participatie aan de politiek.
De dynamiek die de werkgroep van meet af aan ontplooide zorgde ervoor
dat het partijbestuur al bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1975
minimum één vijfde van de plaatsen op de lijsten
reserveerde voor vrouwen.
In 1978 kreeg Vrouw &
Maatschappij als werkgroep een eigen secretariaat. Maar het is pas in 1980
dat Vrouw & Maatschappij een officieel statuut kreeg. De
werkgroep werd erkend als een geïntegreerd deel van de partij.
Van toen af aan kon Vrouw & Maatschappij eigen standpunten naar
buiten toe verdedigen, mits voorafgaande ter kennisgeving aan het
nationaal partijbureau.
In 1983 volgde Juliette De
Schrijver-Sioen Miet Smet op als voorzitster van Vrouw en Maatschappij.
Onder haar voorzitterschap groeide Vrouw & Maatschappij uit tot
een autonome beweging. Eigen vrouweneisen werden geformuleerd, zoals:
meer vrouwen in de partij en in de politiek, arbeidsduurverkorting,
doorbreken van rollenpatronen, sociale en economische rechtvaardigheid,
geweld op vrouwen, abortus, fiscale decumul. Ook steeg het aantal leden
dankzij een actieve ledenwerving.
In deze periode werd Miet Smet de eerste
staatssecretaris voor maatschappelijke emancipatie. Bovendien kwam er
wat de vrouwelijke aanwezigheid betrof op ieder niveau van de partij
een statutaire doorbraak. De minimale aanwezigheid werd statutair
vastgelegd op 20 %.
De verkiezing van Sabine de Bethune in 1989
als voorzitster betekende de start van de actieve, gestructureerde
beweging, zoals we Vrouw & Maatschappij vandaag kennen. De
gemeentelijke werking werd verder uitgebouwd. Er werd een jaarlijkse
startdag ingevoerd voor de lokale verantwoordelijken. Dankzij de
themanetwerken zoals o.m. kinderopvang, geweld op vrouwen, vrouwen en
gezondheid, werden onderwerpen aangereikt waarrond actief kan gewerkt
worden, ook op gemeentelijk niveau. In 1996
verkreeg Vrouw & Maatschappij van de CVP voor het eerst eigen
werkingsmiddelen via een jaarlijkse dotatie. Wat zich vertaalde in een
eigentijdse vormgeving, illustraties, publicaties en een website.
Onder impuls van algemeen voorzitster Sabine de
Bethune wordt de paritaire democratie de rode draad doorheen de werking
van Vrouw & Maatschappij. Het geschikte middel om dit te
bereiken is het invoeren van quota. Hiertoe eiste Vrouw &
Maatschappij, naar aanleiding van het vernieuwingscongres van 1993,
‘Politiek dichtbij de mensen’, dat ten hoogste twee
derde van de leden van iedere partij-instantie van hetzelfde geslacht
zouden zijn. Deze eis werd ondersteund door de slogan ‘Zij is
van de partij’. Het voorstel sneuvelde, meer nog het congres
besliste om niet langer de gewaarborgde sleutels te hanteren voor de
vertegenwoordiging van vrouwen, waarop alle vrouwen de congreszaal
verlieten.
Via onderzoek, sensibiliseringsacties,
studiedagen, info- en actiemomenten binnen en buiten de partij werd het
beginsel van de pariteit man/vrouw in de politiek maatschappelijk
aanvaard.
Op regeringsvlak werd in 1993
wel ingegaan op een voorstel van Vrouw & Maatschappij en werd
in mei 1994 de wet Smet-Tobback gestemd. Met deze
wet kwam er de eerste regeling ter bevordering van de aanwezigheid van
vrouwen op kandidatenlijsten. In de toekomst mag maximaal tweederde van
de kandidaten op een lijst van hetzelfde geslacht zijn. Dit was een
duidelijke stap naar paritaire democratie.
In het laatste decennium (1996-2005)
zetten christen-democratische vrouwen de toon, zowel op wereldvlak als
in de partij zelf.
1995 was een internationaal
scharnierjaar voor de vrouwenemancipatie. De vierde
VN-vrouwenconferentie in Peking zette de bakens uit. Leden van Vrouw
& Maatschappij waren aanwezig in Peking, net zoals bij de
VN-vrouwenconferenties in Mexico, Kopenhagen en Nairobi. In New York in
2005 werden de besluiten van de
conferentie in Peking na 10 jaar getoetst. Bij die evaluatie stelde
Vrouw & Maatschappij vast dat de quotamaatregelen, die
België en Vlaanderen op de kieslijsten toepast, de enige
manier zijn om tot een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en
vrouwen in de besluitvorming te komen.
België was pionier in de beleidsvoering omtrent
thema’s zoals pariteit, combinatie zorg-gezin-arbeid en
geweld op vrouwen.
De verontwaardiging bij de CVP-vrouwen was groot
toen ze merkten dat het boek naar aanleiding van de viering van 50 jaar
christen-democratie (1995) geen aandacht schonk aan
de rol van vrouwen en aan Vrouw & Maatschappij. Op geen enkel
manier werd Vrouw & Maatschappij vermeld. Daarom startte Vrouw
& Maatschappij in ‘95 met het schrijven van haar
eigen geschiedenis onder de vorm van jaarverslagen.
De viering van 50 jaar vrouwenstemrecht in ‘98
was hét moment om de puntjes nog eens op de i te zetten.
Onder de slogan “Politiek is vrouwelijk, zoek het maar op in
Van Dale” zette Vrouw & Maatschappij in het najaar
van 1998 een uitgebreide feestcampagne op.
De geschiedenis van vrouwen en politiek leek in ’99
nog maar eens op een wedstrijd hordelopen... Het decreet dat een
structurele financiering voor politieke vrouwengroepen verdedigde, werd
verticaal geklasseerd. Ondanks geboekte resultaten en het jarenlange
loyale engagement binnen de partij werd Vrouw & Maatschappij
door de partijtop ervaren als een luis in de pels.
Empowerment werd een doelstelling en een
werk-woord voor Vrouw & Maatschappij. Naast het boek
‘Wegwijs voor vrouwen in de politiek’, organiseerde
de werkgroep trainingen voor leden, bestuursleden en mandatarissen.
Meer inzicht in politiek, kennismaking met rolmodellen en uitwisseling
van ervaringen moesten vrouwen versterken. Vrouw & Maatschappij
wilde ook het draaideureffect voor jonge vrouwen in de politiek
tegengaan. Het was een nefaste trend: in de politiek kwamen vrouwen wel
even aan bod omdat ze nodig waren op een lijst maar verdwenen net zo
vlug omdat ze zich niet konden handhaven of een afkeer kregen van het
politieke machtsspel. Uit onvrede met deze situatie richtte Vrouw
& Maatschappij in 2000 een jongevrouwennetwerk op onder de
slogan ‘Rok en rol de politiek in’. Dat moet de
jonge vrouwen meer kracht en assertiviteit geven.
Na bijna 15 jaar voorzitterschap gaf Sabine de
Bethune in oktober 2003 de fakkel door. Myriam Van
Varenbergh nam het voorzitterschap een paar maanden ad interim op zich
tot Els Van Hoof in oktober 2003 werd verkozen.
Ook de nieuwe generatie blijft nauwgezet waken over de evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen in alle partijorganen en op alle
kieslijsten. Het voorbije decennium werd al hard gewerkt aan de
paritaire democratie. Met resultaat:
In 2000 was de 2/3-regel op de
lokale kieslijsten van toepassing: minstens 1/3 van de lijst moest uit
vrouwen bestaan. Vrouw & Maatschappij wapende haar kandidaten
met een trendy campagnekit en met de slogan “Hoog tijd voor
meer vertrouwen in de aanpak van vrouwen.” Ondanks de 2/3
-regel was er een trechtereffect voor de verdeling van de postjes. Want
zou 1/3 van de vrouwen op de kieslijst niet moeten betekenen dat er ook
1/3 vrouwen een politiek mandaat krijgen? Nee, in 2005 waren er maar 7%
vrouwelijke burgemeesters over de partijgrenzen heen en 20% vrouwelijke
schepenen.
Er moest dus nog een stap gezet worden. Al in 2001
pleitte Vrouw & Maatschappij met haar gendertoets op het
gemeente- en provinciekiesdecreet voor quota voor de schepencolleges en
deputaties (maximum 2/3 van hetzelfde geslacht). De verplichte
toepassing van de code voor een gezinsvriendelijke politiek was een
ander in het oog springend punt.
Ondertussen werd er heel wat vrouwelijke druk
uitgeoefend om ook voor de gemeente- en provincieverkiezingen van 2006
verplicht 50% vrouwen op de lijst te zetten. Voor de federale
verkiezingen was dat al sinds 2002 een feit. Onder
druk van de politieke vrouwengroepen o.l.v. voorzitster Els Van Hoof,
keurde de Vlaamse Regering in 2005 de pariteit op
de kieslijsten goed. Het Brussels parlement voegde er voor haar
gemeenten de rits op de eerste twee plaatsen aan toe: man op 1 en vrouw
op 2, of, vrouw op 1 en man op 2.
Vrouw & Maatschappij heeft doorheen de voorbije jaren op een
succesvolle wijze vrouwenbelangen in de maatschappij, maar ook binnen
de partij verdedigd. We mogen terecht zeggen dat we met ons groot
aantal leden en ons autonoom statuut binnen de CD&V een
voorbeeld zijn voor andere partijpolitieke vrouwengroepen.